• Op het V.O.C.-terrein, tussen veld 1 en het hoofdveld, staat een monument dat is meeverhuisd van het oude terrein aan de Overschiese Kleiweg. Vooral jongere leden zullen waarschijnlijk niet weten waarom het monument er staat. Dit bijzondere ingezonden stuk van Pieter Stolker Sr. schept daarover meer helderheid. 

    Verhalen over de oorlogsdagen in Rotterdam van Jan Stolker

    Door: Pieter Stolker Sr.

    Het betreft mijn vader Jan Stolker die in 1939 voor de mobilisatie in Rotterdam gelegerd was en diende bij de KMD (Korps Motor Dienst). Staf Etappe Commando was geloof ik de juiste benaming.

    Naar zijn zeggen had hij het bevel over een aantal kleine vrachtwagens waarmee op de eerste dag van de oorlog het goud uit de Nederlandse Bank aan de Boompjes werd weggehaald en naar de Lloyd Pier (waar het commandocentrum van de reguliere troepen gevestigd was) gebracht. De goudstaven waren verpakt in houten kistjes.

    De Duitsers zaten in het Hulstkamp gebouw op de Maaskade met mitrailleurs en schoten op alles wat bewoog. Ik citeer mijn vader: “ Wanneer je aan de achterkant van de Nederlandse Bank je hoofd om de hoek van de Posthoornstraat stak werd hij er direct afgeschoten.

    De chauffeur van de voorste vrachtwagen durfde niet te gaan rijden en moest met een pistool tegen zijn slaap worden gedwongen de colonne in beweging te zetten.

    Het goud (937 goudstaven met een gewicht van 11.012 kg en een waarde van 22 miljoen gulden) werd veilig aan boord van de loodskotter 19 gebracht. De loodskotter vertrok om 04:00 naar Hoek van Holland maar liep ter hoogte van Vlaardingen/Maassluis op een magnetische mijn. Er is onenigheid over de vraag of dat een Engelse of Duitse mijn was. Naderhand hebben de Duitsers 816 baren weten op te baggeren. De rest (121 baren) is nooit gevonden.

    In dit perspectief is het belangrijk te vermelden dat op de eerste dag van de oorlog het oppercommando (bestaande uit Reserve Luitenant Kolonel Dijkshoorn cum suis) gevlucht is zonder het commando over te dragen wat dan ook de reden is dat géén van de 11.000 man reguliere troepen ook maar 1 schot heeft gelost. Na de oorlog moest Dijkshoorn voor een militaire tuchtcommissie verschijnen maar werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

    De voorzitter van de commissie was zijn broer, de (pro-Duitsland) minister Dijkshoorn. Ik heb een handgeschreven verklaring van Ben v/d Hijden (een bekend iemand bij het verzetsmuseum Rotterdam) waarin hij verklaart dat hij als scherpschutter op de auto van Dijkshoorn mee moest rijden naar Hoek van Holland.

    Hij mocht echter niet mee op de Hr. Ms HereWard en moest terug naar Rotterdam. In de kofferbak van de auto’s namen de heren houten kistjes mee (zo verklaarde Ben) waarin naar zeggen papieren zaten van bedrijven zoals Shell, Unilever en Philips. U mag zelf vraagtekens plaatsen bij dit gebeuren. Zelf denk ik dat er andere dingen (goud baren) in die kistjes hebben gezeten.

    Hieronder de handgeschreven verklaring van Ben v/d Hijden:

     

    Na de capitulatie is mijn vader voor zichzelf een transportbedrijf begonnen. Hij had een melkwagen waarmee hij o.a. melk vanuit Bolsward in Friesland naar de gaarkeukens in Rotterdam bracht. Het grootste obstakel in deze reis was de terugreis met volle tank melk (ongeveer 3,5 ton) en dan de Amersfoortse berg op. Het vermogen van de motor die op gas liep, wat gestookt werd in een op hout gestookte generator op het dak, was te weinig. Er moest een trekker voor de wagen of men moest achteruitrijdend de berg op. (De achteruit versnelling heeft een grotere vertraging waardoor meer kracht).

    Ik heb dit nooit willen geloven totdat ik een poosje geleden een paar dagen heb gelogeerd in een hotel in Amersfoort en wij een aantal malen met de fiets tegen die berg op moesten fietsen. Daarna begreep ik waarom het zo’n toer was. Gedurende de Hongerwinter stonden er  ‘s-morgens wanneer mijn vader wegging,  moeders die hun kinderen meegaven om af te geven bij boeren die te eten hadden. Dat ging zonder veel omhaal. Gewoon een noodzaak om te overleven.

    Op enig moment kwamen zowel mijn vader als mijn moeder in contact met het verzet. De melkwagen werd gebruikt voor het transport van de wapendroppings in de polders bij Lekkerkerk/Stolwijk naar de opslagplaats op het V.O.C.-terrein aan de oude Overschiese Kleiweg. Door verraad (hoe anders?) kwamen de Duitsers de wapens ophalen waarbij en passant de terreinknecht Piet van Os (die nergens ook maar iets van wist!) gefusilleerd werd. Op het nieuwe terrein van V.O.C. staat een betonnen herinneringspaal met de naam van Piet van Os erop. (Ik geloof dat niemand nog weet waarom die paal daar staat?) Overigens werden er nog een aantal leden van deze verzetsgroep door verraad gefusilleerd.  

    Na de droppings werden de containers met wapens en parachutes in de melktank geladen waarna in het mangat een bak met melk werd geplaatst zodat wanneer men bij controle het mangat opende men slechts melk zag. Van de parachutes maakte mijn moeder leuke pakjes voor mijn zus en mij.

    De Algerabrug was er nog niet maar wel het veer van van ’t Ruit. Omdat de melkwagen op gas liep kon hij op eigen kracht de dijk aan de kant van Kralingseveer niet opkomen maar de Duitse schildwachten wisten dat wanneer Stolker met de melkwagen kwam er een paar flessen schnaps zouden zijn wanneer men de vrachtwagen de dijk op zou duwen. Schijnt echt gebeurd te zijn.

    Na het verraad bij V.O.C. werden de wapens opgeslagen in de kelder van ons huis aan de Aelbrechtskade 156b. Daar werd ook geoefend in het schieten (met geluiddemper). Ik herinner mij nog als kind dat er allemaal mannen in een kring zaten die de houders van nieuwe kogels voorzagen. (Munitie schijnt na een tijdje te moeten worden vervangen.) Naast het bed van mijn ouders stond een Bren schietklaar voor het geval er verraad zou zijn. Ik weet zeker dat mijn moeder geschoten zou hebben.

    De schietoefeningen vonden ’s-avonds plaats onder leiding van een afspringer uit Engeland. Er werd geschoten vanuit onze kamer, door de gang, door de keuken, de keukendeur stond open en aan het einde van het aangrenzende plat stonden een aantal spoorbielzen. Daarachter was de van der Hilststraat en de mensen daar hebben waarschijnlijk nooit geweten dat wanneer iemand de bielzen gemist zou hebben de kogels bij hen de kamer binnen waren gevlogen J.

    Opvallend vind ik de verdeeldheid tussen de verschillende verzetsgroepen. Tijdens de oorlog bestond de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) nog niet en was er slechts de Orde Dienst. Voor wie de wapens dan ook waren was niet echt bekend en er was veel animositeit. Op een gegeven moment was een concurrerende verzetsgroep ervan overtuigd dat de gedropte wapens lagen opgeslagen in een pakhuis in de van der Hilstdwarsstraat en men brak ’s nachts in. Het pakhuis was echter leeg. Tot op de dag van vandaag is echter de schade welke men aan het slot aanrichtte nog te zien. Er is na de oorlog een metalen plaat aangebracht. Weinigen zullen weet hebben waarom die plaat erop is aangebracht.

     

    In het voorjaar van 1945 was er een kruiskoppeling van de vrachtauto kapot. Onderdelen waren er niet en mijn vader besloot er ‘s-nachts een van een Duitse vrachtwagen op de Keileweg af te schroeven. Hij werd betrapt door een NEDERLANDSE politieagent en opgesloten in de gevangenis op de Noord singel. Vanaf dat moment stond hij te boek als “dief” met een strafblad.

    Op de avond van 4 mei 1945 kreeg mijn vader opdracht om de Lage Erfbrug, de Mathenesserbrug, de Coolhavenbrug en de bruggen bij de Parksluizen gewapenderhand “in te nemen” om te voorkomen dat de Duitsers deze bruggen zouden op blazen. Mijn vader weigerde omdat enkele uren later de capitulatie getekend zou worden. Hij vond het volkomen nutteloos mensenlevens te gaan riskeren. Er was genoeg geleden. Insubordinatie vond het oppercommando en het werd hem niet in dank afgenomen en hij kon verdere (eventuele) carrière in het leger wel vergeten.

    Na de oorlog kregen mijn ouders nog een leuk bedankje in de vorm van een gigantische belastingaanslag. Volgens een anonieme schrijver zouden mijn ouders verschrikkelijk veel zwart geld verdiend hebben. Volkomen onzin, ik weet als geen ander dat deze mensen zo arm als een kerkrat uit de oorlog kwamen. De belastingdienst was echter onverbiddelijk en er werd beslag gelegd op alles wat zij hadden (en dat was bijna niets!). Ik zie nog het betekening bevel op de deur geplakt worden.

    Uiteindelijk heeft tussenkomst van Prins Bernhard ervoor gezorgd dat aan deze onzin een einde kwam. Besef wel dat deze dingen veelvuldig voorkwamen, vrijwel allemaal geïnitieerd door mensen die in de oorlog veilig achter de geraniums waren blijven zitten. Op een formulier “Gegevens betreffende onderscheidingen”, ingevuld door de Gewestelijke Consul R.V.V van gewest 14 staat vermeld:

    Stolker vervoerde steeds met gevaar voor eigen leven, met auto’s de wapens van de droppingfields naar de wapenopslagplaatsen in Rotterdam. Zeer dikwyls is hy gedurende deze transporten op schier onoverkomenlyke moeilykheden gestoten, maar dankzy zyn eigen initiatief, moed, koelbloedigheid en vastberadenheid wist hy steeds Rotterdam veilig met geheel intact gebleven lading te bereiken.

    Op basis van dit formulier zou hem een onderscheiding worden toegekend. Samen met de andere betrokken mensen hebben zij echter besloten een onderscheiding te weigeren gezien het feit dat vele van hun collega’s door verraad zijn gefusilleerd. Ook het feit dat veel O. W’ers en collaborateurs na de oorlog vrolijk voorop liepen in optochten en defilés was voor hen een reden om hun gevallen kameraden beter te herdenken in stilte.

    Toen de oorlog voorbij was kwamen vele opportunisten die gedurende de oorlog achter de geraniums veilig af hadden gewacht hoe anderen de kastanjes uit het vuur hadden gehaald, weer tevoorschijn en pakten vrolijk de draad weer op. Zo werd mijn vader bedankt voor de moeite en hoefde hij niet meer te rekenen op opdrachten voor vervoer.

    Ook hier bracht een brief aan Prins Bernhard weer de oplossing: Onderstaand een kopie van de brief aan Prins Bernhard.

    En ook hier bracht Prins Bernhard weer de oplossing door binnen de kortste keren ervoor te zorgen dat mijn vader zijn vergunning kreeg, zij het slechts voor korte duur. Niet alleen mijn vader heeft enorme hulp gekregen van Prins Bernhard maar iedere (echte) verzetsman of vrouw kreeg zijn hulp zonder moeilijke vragen.

    Toen in 1945 de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) werden ontbonden kwam Prins Bernhard persoonlijk langs in de school in de Schoonderloostraat in Rotterdam, bedankte iedereen voor hun vaderlandsliefde en voor de gevaren welke zij hadden getrotseerd en beloofde zijn steun wanneer zij dit nodig hadden. Hij heeft werkelijk woord gehouden en velen geholpen.

    Graag wil ik vermelden dat van “De Verenigde Brandstoffen Handel” aan de Admiraliteitskade de hele directie in het verzet zat en het terrein ook gebruikt mocht worden voor opslag van wapens en mensen. Ook Joodse mensen werden door dit bedrijf gered. Na de oorlog ging het bedrijf van paard en wagen over op vrachtwagens en mijn vader mocht toen alle voerlui omscholen tot chauffeur.

    Dat vind ik toch ook wel een te vermelden feit. Hulde voor deze mensen.

    Email: pieter@pieterstolker.nl